Wanneer het woord ‘digitale autonomie’ valt, schieten veel IT-afdelingen in een kramp. Het klinkt alsof er een rigoureuze keuze gemaakt moet worden. Alsof de enige oplossing is om morgen de stekker uit Microsoft Azure, Google of AWS te trekken en alles in allerijl terug te verhuizen naar een lokaal datacenter. Gelukkig is dat een grote misvatting.
Digitale autonomie betekent niet dat je morgen weg moet
De illusie van alles of niets
We zijn in de IT vaak geneigd om in extremen te denken. Je zit ofwel volledig in de public cloud, of je houdt alles strikt on-premise. Maar digitale autonomie is geen binaire keuze. Het gaat niet om het volledig uitbannen van Amerikaanse hyperscalers. Hun ongekende rekenkracht en schaalbaarheid zijn voor sommige processen simpelweg onmisbaar.
Waar het wel om gaat, is dat je stopt met blind leunen op één leverancier voor je complete landschap. Je wilt de afhankelijkheid afbouwen en keuzevrijheid creëren. Je wilt zelf weer aan het stuur zitten.
Bouwen met een universele stekker
De sleutel tot die keuzevrijheid ligt in een federatieve inrichting, gebouwd op open standaarden. Vergelijk het met de introductie van de USB-C-kabel. Voorheen had elk merk zijn eigen specifieke stekkertje. Stapte je over van een iPhone naar een Android-toestel, dan kon je al je kabels weggooien. Tegenwoordig trek je diezelfde USB-C-kabel uit je telefoon en plug je hem moeiteloos in je laptop, ongeacht het merk.
Zo zou je applicatielandschap ook moeten werken. Door niet te bouwen met gesloten, leverancierspecifieke technologieën (de zogenaamde vendor lock-in), maar met open standaarden, maak je applicaties verplaatsbaar. Je creëert als het ware bouwblokken die je relatief eenvoudig kunt oppakken en in een ander fundament kunt plaatsen.
Schalen wanneer het echt moet
Hoe die flexibiliteit er in de praktijk uitziet, laat zich goed illustreren aan de hand van twee herkenbare scenario’s. Denk aan een landelijk IT-systeem in de zorg voor bijvoorbeeld infectieziektebestrijding. In normale jaren heeft zo’n systeem misschien honderdduizend gebruikers over het hele jaar verspreid. Voor die dagelijkse operatie kan het systeem uitstekend, veilig en kostenefficiënt draaien in een lokale, soevereine cloud. Maar breekt er een pandemie uit, dan gaat het ineens om honderdduizend gebruikers per dagdeel.
Of neem een streamingplatform waarvan de belasting gedurende het jaar redelijk stabiel en goed te voorspellen is. Dat verandert compleet wanneer ze exclusief een live sportwedstrijd uitzenden en er plotseling miljoenen mensen in hetzelfde kwartier inloggen.
Beide situaties vragen om een gigantische en abrupte opschaling van rekenkracht. Als je landschap flexibel is ingericht, kun je op zo’n moment naadloos opschalen naar de infrastructuur van een hyperscaler om die immense piek op te vangen.
Zelf bepalen wanneer je de uitgang pakt
Dat is de ware betekenis van digitale autonomie. Je hebt de hyperscaler niet afgezworen, je gebruikt hem precies waar hij het sterkst in is. En zodra de storm gaat liggen, schaal je weer net zo makkelijk af naar je stabiele, lokale en soevereine basis.
Je hebt de regie terug. Mocht een hyperscaler plotseling zijn prijzen met veertig procent verhogen, of mochten geopolitieke spanningen de continuïteit in gevaar brengen, dan sta je niet met de rug tegen de muur. Je hoeft niet vandaag weg, maar je hebt ervoor gezorgd dat je morgen weg kunt als de situatie erom vraagt.
De theorie klinkt logisch, maar hoe begin je daaraan? In de praktijk denken veel bedrijven dat een migratie weg van een hyperscaler een onmogelijk, jarenlang project is.